Le défilé de la Victoire, le 14 juillet 1919, François Flameng
Joseph Joffre

Joseph Joffre

 

Philippe Pétain, Ferdinand Foch en Josef Joffre, drie namen met een grote weerklank, drie mannen met een enorme geestkracht, drie in de dagen na de ‘Groote oorlog’ gevierde ‘Maréchaux de France’ uit de periode 1914 -1918. Wat waren het voor mannen? Waar stonden zij voor? Was hun roem verdiend? Waren de aan hen toegeschreven successen hun successen of waren het gedeelde triomfen?  De beantwoording van deze vragen leent zich eigenlijk eerder voor een dissertatie dan voor een artikel op een website. En toch kan ik het niet laten om deze ietwat gewaagde poging te wagen.

Philippe Pétain

Philippe Pétain

Maar wie verstout er zich om een, zij het voorzichtig, oordeel uit te spreken over deze mannen, om deze grote mannen ‘de maat te nemen’, die verantwoordelijkheid hebben gedragen voor het ondraaglijke, de levens van honderdduizenden van hun soldaten. Mannen die hun beslissingen vaak namen en moesten nemen op basis van beperkte en soms verwrongen informatie. Een oordeel in ‘hindsight’, zoals de Engelsen zo mooi zeggen biedt het comfort van de kennis en ervaringen van honderd jaar later en de morele opvattingen van dit moment. Een extra reden voor enige reserve.

De stroom van woorden en zinnen die er sinds 1919 wereldwijd over – in volgorde van leeftijd – Foch, Joffre, Pétain op papier gezet is, is alles behalve beperkt.

Ferdinand Foch

Ferdinand Foch

Dit artikel zie ik als een vingeroefening. Dat betekent niet dat de zorgvuldigheid uit het oog verloren mag worden. Ik weet dat bijvoorbeeld de keuze voor een bepaald citaat en of een bepaalde auteur een beeld kan (ver)kleuren. Ik merk dat sommige biografen te weinig afstand van hun onderwerp nemen en daardoor een te rooskleurige voorstelling van zaken geven. Ik moet bekennen dat ik in de overvloed van informatie, rijp en groen, weliswaar veel maar niet alles over de drie mannen en hun bijdragen aan de geschiedenis gelezen heb. Ik heb er echter alles aan gedaan om de vele knopen in feiten en meningen te ontwarren. Mocht mij dat op enige wijze onvoldoende gelukt zijn dan spijt mij dat.

Maréchal de France

De geschiedenis van Frankrijk is doordenkt van daden van hartstochtelijke liefde en daden voor het vaderland – er zijn er ook die vinden dat dit gevoelens van verkeerd begrepen nationalisme zijn en soms valt ook daar wat voor te zeggen – en de beloning die soldaten – in het bijzonder generaals – hiervoor verleend kan worden, de hoogste Franse militaire onderscheiding, is ‘le maréchalat de France’. De onderscheiding voor, zoals dat zo mooi heet, bijzondere daden is voor de eerste keer uitgereikt in 1185 aan ene Albéric Clément en voor de laatste keer in 1984 aan Marie-Pierre Koenig, de held van Bir Hakeim. Postuum.

In die tussentijd waren sommige Franse vorsten nogal genereus. Lodewijk XIV spant de kroon met het lieve aantal van 54, maar ook Lodewijk XV (49), Lodewijk XVI (21), Napoleon (26) en Napoleon III (12) ‘strooiden’ met de eretitel. Opvallend is dat er na de Frans-Duitse oorlog en Dien Bien Phu geen enkele maarschalk werd benoemd, maar misschien is dat niet vreemd voor een oorlog waarvoor men zich schaamde. In totaal zijn er in bijna acht eeuwen 342 bâtons, de eretekenen die bij de titel horen, uitgereikt.

Oordeel of vooroordeel, feit of fictie

Edward L. Spears

Edward L. Spears

Biografieën, dagboeken en memoires, krantenartikelen, interviews, propaganda – zowel van de eigen als van vijandige media – uitstekende en minder uitstekende historische boeken, opinies van collega officieren, maar ook van ondergeschikten, het oordeel van politici en bondgenoten. Met elkaar vormen zij vele kleuren die het beeld dat wij van de drie maarschalken hebben bepalen. Maar welke schets doet recht aan de werkelijkheid?

Een klein voorbeeld van een geheel ´eigen´ beeld van de werkelijkheid. Generaal Edward. L. Spears, verbindingsofficier tussen het Britse en Franse leger gedurende enkele jaren en ‘kenner’ van Foch, kwalificeert Foch´ weergave van de Slag aan de Marne (1914), zoals vermeld in diens memoires, als ´very misleading´. In datzelfde artikel worden overigens nog meer stevige voorbeelden gegeven van Foch´ selectief geheugen.

Een beeld wordt bepaald, maar ook verstoord, door feiten, meningen, leugens en halve waarheden. Misschien is het daarom het beste als de schrijver – in dit geval ik – zich zelf een voorstelling maakt van een maarschalk, toen nog generaal, in kwestie. En dat is precies wat ik hieronder gedaan heb.

Militaire scholing en carrière

Vrijwel alle Franse militairen van betekenis hebben gestudeerd aan een van de twee gerenommeerde instituten, de École Polytechnique (1794) of de École Spéciale Militaire de Saint- Cyr (1802). Van beide scholen was Napoleon een van de geestelijke vaders.

De motto’s van beide instituten zijn, naar Franse gewoonte, enigszins nationalistisch getint. De École Polytechnique voerde de woorden ‘Pour la patrie, les sciences et la gloire’ in zijn vaandel terwijl Saint- Cyr, na aanvankelijk voor het bloeddorstig klinkende ‘Ils s’ instruisent pour vaincre’ gekozen te hebben, ‘koos voor ‘Honour et Patrie’.

Ecole Polytechnique

Ecole Polytechnique

Joseph Jacques Césaire Joffre, geboren op 12 januari 1852 in Rivesaltes (Pyrénées-Orientales), begon zijn legercarrière in 1869.  Zijn studie aan de École Polytechnique doorliep hij gedurende meerdere fases voornamelijk vanwege de Frans-Duitse oorlog waarin hij als onderluitenant ervaring opdoet, onder meer bij een artillerieregiment. Joffres’ carrière, die hij voor een groot deel in het Verre Oosten doorbracht, verliep redelijk volgens het boekje. Een rapport uit 1985 van een superieur beschrijft hem als zeer intelligent, ijverig en toegewijd. Via kapitein, luitenant-kolonel en kolonel – een rang waarin hij onderschikt was aan Gallieni – werd hij brigadegeneraal, chef van de VI divisie, lid van de ‘Conseil Supérieur de Guerre’ om in 1914 aan de top van de piramide te belanden als opperbevelhebber.

Net als Joffre studeerde Ferdinand Jean Marie Foch, geboren op 2 oktober 1851 in Tarbes (Haut-Pyrénées), aan de École Polytechnique. Later zou hij docent aan Saint-Cyr worden. Fochs’ militaire loopbaan begon in 1871. Net als Joffre koos hij voor artillerie en genie. Hij ´studeerde´ af als artillerieofficier. In zijn bijna vijftigjarige loopbaan heeft hij vrijwel alle rangen doorlopen: luitenant, kapitein (1879), luitenant-kolonel, kolonel (1903), brigadegeneraal (1907) en divisiegeneraal (1911). In 1913 promoveerde hij tot generaal van het XXe corps. In maart 1918 werd Foch tot opperbevelhebber van het Westelijke front benoemd.

Saint-Cyr

Saint-Cyr

Henri Philippe Benoni Omer Joseph Pétain, geboren op 24 april 1856 in Cauchy-à-la-Tour (Pas-de-Calais), was een Saint-Cyriën. Pétains’ loopbaan verliep gelijkmatig maar ook redelijk kleurloos. Hij wordt weliswaar gewaardeerd, zeker als tacticus, maar veel van zijn posten zijn afgelegen of weinig interessant. Zijn carrière krijgt pas reliëf als deze eigenlijk al over is. In 1914 – de oorlog is dan net begonnen – wordt hij op zijn achtenvijftigste tot brigadegeneraal bevorderd. Tijdens de eerste dagen van de Duitse aanval op Verdun krijgt Pétain het bevel over het Tweede leger. In mei 1917 wordt hij tot opperbevelhebber benoemd.

Alle drie, Foch, Pétain en Joffre hadden een artillerieachtergrond, al koos Joffre na zijn afstuderen aan de École voor de genie. Dit in tegenstelling tot hun Britse collegae French en Haig, die beide een cavalerieachtergrond hadden.

Pétain, de jongste van de drie, was 58 toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, Foch 63 en Joffre 62.

Persoonlijkheden

‘Papa’ Joffre

'Hij zegt niet veel, maar iedereen begrijpt hem.'

‘Hij zegt niet veel, maar iedereen begrijpt hem.’

In de literatuur wordt Joffre een rijkelijk aantal eigenschappen toebedeeld: conservatief, zwijgzaam, halsstarrig, uiterlijk onbewogen, licht ontvlambaar, ongeduldig, onvermoeibaar, sober, aimabel, ijverig, maar ook verzoenend, naïef en niet te vergeten zorgzaam. Kennelijk Iemand die weet wat hij wil, zich zomaar niet aan de kant laat zetten, maar ook een ‘goed’ mens.

Een Belgisch krantenartikel uit die tijd plaatst het verhaal dat Joffre als bezorgde ‘vader’ neerzet: ‘Joffre had 3 vliegers nodig voor een zeer gevaarlijke zending. Allen bieden zich aan. Ten overstaan van Joffre moeten ze loten. De drie die door het lot zijn aangewezen salueren en willen vertrekken. Joffre weet, dat zij den dood ingaan, heeft het hun ook niet verheeld. En hij roept hen terug. “Hoe bestaat het”, vraagt hij met zachte stem, de armen naar hen uitgestrekt., “gaan jullie zonder je vader goêdag te zeggen?” Hij sloot hen in zijn machtige armen. Zij gingen. Zij kwamen niet terug.’

Een ander voorbeeld van Joffres’ karakter komt van een uitspraak die hij op zijn sterfbed gedaan zou hebben: ‘Ik heb geen mens kwaad gedaan’. Is dat uit naïviteit of maakt Joffre een onderscheiding tussen zijn daden in zijn persoonlijke leven en handelen als soldaat?

Hoe dan ook, beide voorbeelden vormen een merkwaardige tegenstelling tot het beeld dat bij velen leeft, namelijk dat van Joffre de harde krijgsheer die tienduizenden soldaten de strijd instuurde.

 Pétain, de man met de koele blik

Conservatief, openhartig, oprecht, direct, zorgvuldig, plaaggeest, onderkoelde humor, afstandelijk, obstinaat, flegmatiek, sarcastisch, wantrouwend, moeilijk te doorgronden en sober. Bijna alles in deze opsomming van Pétains eigenschappen duidt op een naar binnen gericht en gesloten mens, iemand die een situatie wil kunnen beheersen, maar ook een mens met een groot verantwoordelijkheidsgevoel.

In een van zijn vele interessante blogs in www.veertienachttien.nl zegt journalist en Eerste Wereldoorlog kenner Tom Tacken over Pétain: ‘…al is hij nooit een man van uiterlijk vertoon geweest. Zeven sterren op zijn mouw of niet, tijdens de overwinningsparade van 1919 rijdt hij de Arc de Triomphe door in het horizon blue, de kleur van de poilu.’ Pétain is zijn hele leven sober gebleven.

De al eerder aangehaalde Edward Spears citeert Pétain wanneer president Raymond Poincaré hem bij gelegenheid vraagt waarom hij de situatie somber inziet: ‘What can you expect, Monsieur le Président, when we are neither commanded nor governed.’ Over openhartig en oprecht gesproken. Uiteraard maakte deze uitspraak Pétains’ relatie met Poincaré noch met Joffre hechter.

Foch, de ‘phoenix’

Conservatief, een sterke geest, meedogenloos, roekeloos, moedig, arrogant, nuchter, overtuigend, optimistisch, een man zonder twijfels. Op het eerste gezicht levert de som van deze eigenschappen het beeld op van een houwdegen met ietwat narcistische trekken. Was Foch inderdaad hard en ongevoelig of is hij de bekende ruwe bolster met de blanke pit. Over alle drie de maarschalken is veel geschreven, zeker over Pétain. Over Fochs’ militaire denken is ook het een en ander geschreven, vaak afkomstig uit Angelsaksische literatuur. Er is echter – jammer genoeg – betrekkelijk weinig over de mens Foch bekend, anders dan de korte schetsen ven eigenschappen die hierboven genoemd zijn.

Germain Foch

Germain Foch

Toch doemt er uit al de verhalen een helder beeld op. Fochs’ sterke geest maakte dat hij met enorme tegenslagen kon omgaan, niet alleen in relatie tot zijn carrière maar ook in de persoonlijke levenssfeer. Bijvoorbeeld als hij op 13 september 1914 bericht krijgt dat zijn zoon Germain en zijn schoonzoon Paul Bécourt beide op 22 augustus gesneuveld zijn. De beide nu volgende citaten uit een brief aan generaal Millet laten Fochs’ worsteling zien tussen zijn plichtsbesef en zijn persoonlijk verdriet: ‘Mes affaires de famille sont lamentables: Bécourt et mon fils tué le 22 août près de Juppécourt à la frontière belge. … ‘On devait tout y ignorer, et maintenant je tremble en pensant au désarroi qui doit y régner, et à la désolation des mes pauvres femmes.’ ‘Moi même, je suis me raidis sur ce chapitre – de dood van zijn zoon en schoonzoon – pour ne pas manquer à mon devoir, mais non sans peine.’

Een andere aan Foch toegeschreven uitspraak onderstreept zijn nuchtere kijk op het leven: ‘Ne me dites pas que le problème est difficile. S’il n’était pas difficile ce ne serait pas un problème.’

Fochs’ enorme veerkracht zou blijken uit het feit dat hij in 1918, na enkele jaren van ‘verbanning’, uit zijn eigen as herrees en opperbevelhebber van de geallieerde troepen werd.

Het is niet vreemd dat Foch ook als realist gezien wordt, een beeld dat ook in het algemene kader past. Zijn uitspraak na de ondertekening van het Verdrag van Versailles, toen vaststond dat Duitsland als entiteit zou blijven bestaan, is niet voor tweeërlei uitleg vatbaar: ‘This is not a peace. It is an armistice for twenty years.’

De revanchegedachte, Plan XVII en de tactiek

Alphonse Thiers

Alphonse Thiers

Toen Adolphe Thiers, de dan aanstaande president van Frankrijk, op 18 januari 1871 met een zuinige blik zijn handtekening zette onder de concepttekst van het Vredesverdrag van Frankfurt moet al hij geweten hebben dat zijn land zich nooit bij de gedicteerde voorwaarden zou neerleggen. En zo was het ook. Meteen na de onterende nederlaag tegen de door de Pruisen aangevoerde Duitsers vochten revanchegevoelens zich een weg naar de oppervlakte. Het zaad voor het volgende conflict was gezaaid. Het zou meer dan 40 jaar de tijd krijgen om te ontkiemen.

Om de Elzas en de verloren gegane delen van de provincie Lotharingen terug te veroveren begon Frankrijk voortvarend te werken aan een ambitieus plan dat in de loop van vele jaren vele malen van vorm en inhoud zou veranderen. Plan I werd gevolgd door II, III enzovoort totdat in 1911 Plan XVI, een aanpassing van het mobilisatieplan en de schepping van vicevoorzitter van de ‘Conseil Supérieur de Guerre’, generaal Victor Michel, het levenslicht zag. Dit defensieve plan paste niet in de snel veranderende strategische inzichten van dat moment. Het kon daarom niet rekenen op de steun van collega-raadsleden Joffre, Maunoury en Pau, niet de minsten in de hiërarchie.
Victor Michel

Victor Michel

Michel werd aan de kant gezet en Joffre volgde hem op. De draaimolen van benoemen en heenzenden was op gang gekomen.

De hoogste tijd voor een volgend plan, bij voorkeur een definitieve versie. Dit plan, weinig origineel Plan XVII gedoopt, zou de leidraad van de Franse strategie vormen in de begindagen van de oorlog. Het onderscheidde zich van zijn voorganger als zwart van wit. Michel had zijn kaarten – achteraf gezien volledig terecht – op een Duitse hoofdaanval door het midden van het neutrale België gezet, daarbij betogend dat de inzet van reservetroepen een Duitse aanval via België tot een realistisch scenario zouden maken. Plan XVI en de tactische uitwerking daarvan ademde realiteitszin, vooral ook omdat het rekening hield met betrouwbare informatie van de inlichtingendiensten.

L'attaque a outrance

L’attaque a outrance

Plan XVII was, zoals gezegd, van een andere orde. Het was in feite het spiegelbeeld van het Von Schlieffenplan. De kracht van het Franse leger was geconcentreerd aan zijn grenzen met Duitsland, zoals de kracht van het Duitse leger gebundeld was aan grens met België. De ziel van het plan waren het zogenoemde ‘élan vital’, de absolute wil om te winnen onlosmakelijk verbonden met de aanval tot het uiterste, ‘l’ offensive à outrance’. Terugtrekken is verraad, verliezen geen optie. Joffre, de katholiek ‘van huis uit’, was een overtuigd ‘gelovige’. Met deze spirituele ‘munitie’ in hun ransel zou zijn infanterie een autonome kracht ontwikkelen, zijn mannen zouden zich niets aantrekken van het hevige vijandelijk vuur, de bajonet opzetten, de Duitse linies doorklieven en het verloren gegane gebied heroveren. Niet onbelangrijk is dat Joffre op dat moment beschikte over de macht en de middelen. Als opperbevelhebber had hij aan de vooravond van de oorlog meer macht dan enig ander bevelhebber sinds Napoleon.

Terug naar de ontstaansgeschiedenis van Plan XVII. Het is zelfs nu nog tamelijk lastig om uit de berg aan beschikbare informatie een eenduidig beeld te destilleren van wie er verantwoordelijk was voor het plan. Plan XVII kent verschillende stadia van ontwikkeling. De meest waarschijnlijke theorie is dat Ferdinand Foch aan de basis stond als ‘auctor intellectualis’ en de man die het basisconcept op papier heeft gezet. Dat deed hij in 1911, het jaar dat Frankrijk maar liefs vier ministers van Oorlog versleet.

Louis Loyzeau de Grandmaison

Louis Loyzeau de Grandmaison

Louis Loyzeau de Grandmaison, toen nog als kolonel verbonden aan de generale staf, moet als de voornaamste inspirator en advocaat van de filosofie van ‘l’ offensive à outrance’ worden gezien, maar ook als co-auteur en degene die de oorspronkelijke ideeën van Foch op zijn eigen manier interpreteerde. De derde man, Joseph Joffre, zou de ‘executeur’ van het plan worden, maar was als schrijver in een later stadium zeker ook betrokken. In dat opzicht drukte hij zijn stempel op de eindvorm. Deze drie mannen, de ’chef-koks’, zouden in september 1914 gedwongen worden om hun eigen recept te proeven.

De Franse plannen werden en worden door talloze historici gezien als een hersenloze toepassing van de doctrine ‘de aanval tot het uiterste’. Zo niet door Robert. A. Doughty. Hij schrijft in zijn ‘French Strategy in 1914: Joffre’s Own’: ‘Thus, French strategy in August 1914 was neither a blind-charge into Alsace-Lorraine nor an “incarnation” of the offensive a outrance’. Hij beargumenteert – in navolging van Joffre zelf, maar ook Foch – dat Plan XVII geen tot in de details uitgewerkt plan was en de bevelhebber bewust voldoende speelruimte liet om te reageren op actuele informatie en gebeurtenissen. Het zou zomaar kunnen dat Doughty deze gedachte ergens in de lade met aan Napoleon toegeschreven uitspraken heeft gevonden: ‘Le grand art,

c’est de changer pendant la bataille. Malheur au général qui arrive au combat avec un système.’

Ook Hans Andriessen, groot kenner van de Eerste Wereldoorlog, oprichter van de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog (SSEW) en schrijver van een aantal boeken over dit onderwerp, heeft een andere, intrigerende kijk op Plan XVII. Hij is de eerste Nederlandse historicus die, intussen al weer tien jaar geleden, de moed heeft gehad om de schuldvraag ter discussie te stellen. Hij houdt Duitsland niet alleen verantwoordelijk voor de Eerste Wereldoorlog en somt daarvoor een aantal redenen op. Plan VII speelt in zijn redenering een centrale rol. Zijn mening dat Plan VII een weloverwogen en zelfs provocatieve Franse strategie was. In Andriessens’ ogen is Duitsland, onder meer om deze reden, niet de alléén schuldige. Hij was de eerste die de deur naar de twijfel open zette, maar tot voor kort stond hij vrijwel alleen. Op dit moment, begin 2014, lijkt de discussie over de schuldvraag pas echt los te barsten. Het is interessant om te zien hoe historici van verschillende nationaliteit, maar vooral zij met een Angelsaksische achtergrond op het scherpst van de snede met elkaar discussiëren. Er is iets te verliezen.

Terug naar de theorie van de manoeuvreerruimte. De argumentatie van Joffre – achteraf gedaan weliswaar – is niet onlogisch. Bevelhebbers moeten letterlijk en figuurlijk speling hebben als een situatie daarom vraagt. Belangrijke strategische, tactische en operationele informatie moet, als de situatie dat vereist, acuut ingepast kunnen worden. Het Von Schlieffenplan is een voorbeeld van een plan – het Duitse leger had volgens dat plan 41 dagen de tijd om Parijs te nemen – waarvan de strakke tijdtabel geen vertraging toeliet, met de bekende uitkomst.

Is het mogelijk dat de argumentatie van zowel Doughty als van Andriessen enkele belangrijke zwakten in de denkwijze van Joffre over het hoofd ziet? Tijd voor enkele vragen en antwoorden.

Hoe kon Joffre de informatie van zijn inlichtingendiensten en enkele van zijn generaals negeren, die wel heel expliciet te kennen gaven dat de Duitsers vast van plan waren om de Belgische neutraliteit te schenden en over een breed front binnen te vallen? Joffre geloofde heilig in zijn eigen theorie en rekende erop dat de Britten de Duitsers tegen zouden houden. De afspraak was dat zij op zijn linkerflank zouden opereren. Op die manier zou Joffre de handen vrij hebben om zijn troepen te concentreren aan de grenzen met Elzas en Lotharingen. Door zo te denken en te handelen maakte Joffre zijn eigen plan sterk afhankelijk van de wil, de inzet en de snelheid van handelen van zijn bondgenoot.

Hoe kon hij het belang van de ondersteuning van zware artillerie bij de aanval op de grenzen over het hoofd zien? Misschien omdat hij uiteindelijk toch meer genist dan artillerist was? Plan XVII was primair op de aanval gericht en op snelheid. In dat beeld paste de zware artillerie niet, maar werd de nadruk gelegd op de inzet van lichte artillerie, hun eigen 75 millimeter kanonnen. Joffre en met hem anderen bevelhebbers onderschatten bovendien de enorme kracht van de Duitse zware artillerie.

En ‘last but not least’. Hoe kon Joffre – zoals Michel al eerder aangaf – uitsluiten dat de Duitsers reservetroepen zouden inzetten om de aanvalskracht van hun Eerste en Tweede leger te vergroten? Joffre had een grote minachting voor reservetroepen. Hij vooronderstelde dat de Duitse reserves van vergelijkbare kwaliteit waren als de Franse. Hij verwachtte ook niet dat de Duitsers hun reserves zouden inzetten op de manier die ze deden.

Er valt veel te zeggen voor de theorie van Andriessen. Joffres’ strategie was, lijkt het, inderdaad een bewuste keuze voor de aanval op en de herovering van de in 1870 verloren gegane gebieden. En daarmee een provocatie. Dat hij in dat kader een aantal behoorlijke inschattingsfouten maakte zou tijdens de strijd van augustus 1914 duidelijk worden.

Plan XVII was niet onomstreden, ook niet binnen het Franse leger. Pétain, toen nog kolonel, was een van de verklaarde tegenstanders, de ‘ongelovigen’. Hij maakte dat wel heel duidelijk door zijn commentaar op een demonstratie van generaal Gallet van de tactiek van het aanvallen van mitrailleurnesten met de bajonet. Het citaat staat in de biografie van Pétain van Charles Williams: ‘Le général vient de nous montrer toutes les erreurs à ne pas commettre.’ Zijn cynische opmerking werd hem in de hogere echelons uiteraard niet in dank afgenomen. Zij reflecteert echter heel goed zijn filosofie van georganiseerd verdedigen en behoedzaam aanvallen. Hoe dan ook, de invloed van een Pétains’ houding was op dat moment nog verwaarloosbaar. Pétain stond niet alleen. Ook anderen hadden hun twijfels. Zelfs de ernstige en beargumenteerde bezwaren van Generaal Lanrezac, de kalme en ervaren bevelhebber van het Vijfde Leger deden de halsstarrige Joffre niet wijken. Joffre, met zijn beperkte ervaring in het leiden van een leger, vertrouwde blind op Plan XVII. De gevolgen zouden weldra voelbaar zijn.

Op 7 augustus lanceerde Joffre zijn offensief in oostelijke richting. Deze ‘Slag aan de  Grenzen’ liep voor de Fransen op een fiasco uit. De maand augustus is de meeste bloedige uit de oorlog. Generaal, voorheen kolonel, De Grandmaison betaalde bijna met zijn leven voor zijn onvoorwaardelijke vertrouwen in de aanval tot het uiterste. Foch werd in diezelfde slag gedwongen om zich terug te trekken en stand te houden rond Nancy. Deze ervaring zou zijn geloof in de gekozen strategie niet verminderen en hem er in de komende jaren niet van weerhouden zijn mannen in de aanval te sturen. En Joffre? Diens zelfvertrouwen moet in de eerste weken van de strijd een forse deuk opgelopen hebben en hem – misschien – zelfs wel voorzichtiger gemaakt hebben, wat uiteindelijk ertoe leidde dat de politiek het vertrouwen in hem opzegde. Maar dat wat pas eind 1916.

Leiderschap in crisistijd

Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren er talrijke momenten van opperste crisis, maar de vier meest kritieke waren de eerste slag aan de Marne, de slag voor Verdun, het drama rondom Chemin des Dames en het Lenteoffensief van 1918. Op drie van deze momenten was de dreiging dat de Duitsers zouden doorbreken en naar Parijs zouden marcheren het meest dreigend. Bij het vierde moment dreigde het Franse leger in te storten en daarmee zijn bondgenoten in gevaar te brengen.

Leiderschap wordt vaak afgemeten aan het vermogen om met crisissituaties om te gaan. Hoe gingen de Foch, Joffre en Pétain met een crisis om?

Ik kan me voorstellen dat aan de kwaliteiten van een generaal zeer hoge eisen worden gesteld. Hij draagt immers de volle verantwoordelijkheid voor het leven en welzijn van zijn mannen. Niet alleen moet hij onder alle omstandigheden leiderschap tonen, overal en altijd een goed strateeg en tacticus zijn, moet hij theorie en praktijk met elkaar kunnen verbinden, op de hoogte zijn van de meest recente militaire ontwikkelingen en die zo nodig kunnen inzetten, moet hij weten wanneer hij moet verdedigen, maar vooral ook wanneer het moment is aangebroken is om aan te vallen, moet hij zijn relatie met de politiek zorgvuldig bewaken, vertrouwen uitstralen, communicatief zijn en zijn soldaten het gevoel geven dat hij ´voor ze zal zorgen´. Jaagt hij ze niet zinloos de strijd in zoals Foch, Nivelle, French, Haig, Cadorno, Mangin en talloze anderen? Misschien is het antwoord op deze vraag wel het meest bepalend voor het beeld dat een leider achterlaat, niet alleen bij de manschappen, maar zeker ook het brede publiek en ‘last but not least’ bij de geschiedschrijver.

Als ik de bovenstaande regels teruglees realiseer ik me dat bijna geen sterveling aan al deze eisen kan voldoen. Ik zal mijn oordeel straks dan ook met de meeste terughoudendheid geven in de wetenschap dat ieder oordeel redelijk arbitrair is.

De Eerste slag aan de Marne

Nadat de Duitsers op 4 augustus 1914 de Belgische grenzen overschreden hadden begon de race naar Parijs. Volgens de planning van Von Schlieffen moest de Lichtstad binnen 41 dagen bereikt zijn en, eenmaal veroverd, was het doel bereikt. Zover kwam het niet, zoals we allemaal weten. Het Belgische leger, het Veldleger en het Vestingleger, alles bij elkaar iets meer dan 210.000 manschappen, attaqueerde de Duitsers frontaal en, waar nodig, op een andere slimme wijze. Zowel bij Luik, Halen als bij Antwerpen werden de aanval gepareerd of opgehouden. Waardevol tijdverlies voor en een enorme miscalculatie van de legers van, vooral, Von Kluck en Von Bülow. Tijd die ze aan het eind van rit tekort zouden komen.

Slag aan de Grenzen

Slag aan de Grenzen

Met Parijs in zicht strandde de opmars begin september aan de Marne. Na de trieste afgang tijdens de ‘Slag om de Grenzen’ was het grote moment voor Joseph Joffre eindelijk aangebroken. Misschien is het juister om te zeggen van de bevelhebber en zijn generaals. Het aandeel van Gallieni (in 1921 postuum tot Maarschalk benoemd door president Alexandre Millerand) mag niet onbesproken blijven. Hij was het die de plek en het moment van de Franse tegenaanval aan Joffre voorstelde. Hij was het ook die samen met André Walewski – oprichter van de ‘Compagnie française des automobiles de place’ de idee had om taxi’s als transportmiddel in te zetten en soldaten naar het Marnefront te vervoeren toen de spoorwegen rond Parijs ontwricht geraakt waren.

De rollen van generaal Foch, net bevorderd van het XX-legerkorps tot aanvoerder van het Negende leger, maar ook van Michel-Joseph Maunoury (in 1923 postuum tot maarschalk bevorderd), Louis Franchet d’Esperey (maarschalk van Frankrijk in 1921) en John ‘Jack’ French mogen we in dit verband ook niet vergeten.

Wat zeker ook een rol gespeeld heeft en de Franse kans op succes vergroot heeft zijn de Duitse blunders, bijvoorbeeld van strategische aard (het verplaatsen van onmisbare troepen naar het Oostfront), van tactische aard, maar ook operationele aard (het laten ontstaan van een bres tussen de legers van Von Kluck en

Von Bülow).

Taxi’s op weg naar het front, de idee van Gallieni en Walewski in de praktijk

Taxi’s op weg naar het front, de idee van Gallieni en Walewski in de praktijk

Ik vond een artikel uit de Duitse ‘Lokal Anzeiger’, dat refereert aan de eerste slag aan de Marne:. Het luidt: ‘…hield alleen Joffre zijn zenuwen in bedwang. Zijn taaie, methodische energie, zijn rustig inzicht in den toestand, waardoor hij de zwakke plek in den Duitschen aanval ontdekte, maakten het hem mogelijk, de achterwaarts stroomende legers op te vangen, ze opnieuw te groepeeren en met Parijs in den rug weer tot den aan val te doen overgaan.’

Een andere uitspraak over Joffre, eveneens uit onverdachte hoek, werd opgetekend uit de mond van Generaal von Kuhl (ex stafchef onder o.a. Von Kluck en historicus): ‘…Een sterk karakter, een onverstoorbare rust, ook tijdens de zwaarste tegenslagen legde hij een onafgebroken activiteit aan de dag, greep overal persoonlijk in en was in staat tijdens den Marneslag zijn wil door zijn opperbevelhebbers te doen uitvoeren.’

Joffre was een controversieel opperbevelhebber. Zeker is echter dat hij de eindverantwoordelijke officier was. Het succes mag dan vele vaders hebben, Joffre was de ‘pater familias’.

Verdun

Aan deze plaats in het departement Meuse is slechts een naam onverbrekelijk verbonden, die van Philippe Pétain. Is dat terecht? De strijd in de heuvels rond Verdun duurde van 21 februari tot 15 december 1916, driehonderd dagen om precies te zijn. In die periode heeft Pétain het bevel gevoerd van 25 februari tot 1 mei. In deze relatief korte tijd heeft hij zijn stempel op de gebeurtenissen gedrukt.

Toen hij aantrad, voor deze taak voorgedragen door generaal Castelnau en niet door Joffre, reorganiseerde Pétain de Franse stellingen, versterkte hij de verdediging met reservetroepen, organiseerde hij een continue aanvoer van mannen en materiaal via de Voie Sacrée, nu RD – Route Departementale – 1916 geheten, en zette hij de artillerie op de linkeroever in ter verdediging van de stellingen op de rechteroever. Daarmee voorkwam hij een Duitse doorbraak. Op het nippertje.

Carte de VerdunNadat hij de Duitsers had tegengehouden stabiliseerde Pétain het front zo goed als mogelijk. Maar na de stabilisatie werd er gevraagd om tegenaanvallen en heroveren, een taak die hem minder goed afging.

Eind april besloot Joffre – die Pétain besluiteloosheid en later zelfs defaitisme verweet – hem af te lossen door Robert Nivelle *. Vanaf dat moment voerde deze ijzervreter de strijd zoveel mogelijk in voorwaartse beweging, daarbij overigens gesuperviseerd en ‘in bedwang gehouden’ door Pétain. Bij de eerste beste gelegenheid probeerde Nivelles’ voornaamste breekijzer, generaal Charles Mangin, fort Douaumont terug te veroveren. Met catastrofale gevolgen. Ook daarna nog werden de Fransen met de rug tegen de muur gezet tijdens hevige Duitse (tegen) offensieven in juni, juli en zelfs nog later in 1916. Toch trok Nivelle aan het langste eind. De herovering van de forten Douaumont (24 oktober 1916) en Vaux (2 november 1916) leidden, samen met de Duitse beslissing om terug te vallen op oude linies, tot de Franse zege bij Verdun. Joffre zou deze overwinning later in zijn geheel op het conto van Nivelle schrijven.

Van de driehonderd dagen die de Slag voor Verdun duurde heeft Pétain welgeteld 65 dagen de strijd geleid. En toch is het zijn naam en niet die van Nivelle die onverbrekelijk verbonden aan deze slag.

* Nivelle werd later in 1917, na zijn buitensporige en aanhoudende blunders bij de aanvallen bij de Chemin des Dames ‘gelimogeerd’.

Le Chemin des Dames

Chemin des Dames Tanks

Tanks aan de Chemin des Dames

In 1917 ging het doek weer op voor Pétain. Na een periode als Chef Staf in relatieve anonimiteit gewerkt te hebben, deed Frankrijk opnieuw een beroep op hem al was dat aarzelend en na een reeks van politieke intriges. De gevolgen van de onophoudelijke aanvallen bij Chemin des Dames, de vele duizenden onnodige slachtoffers, werden de opperbevelhebber Robert Nivelle noodlottig. Philippe Pétain, en niet de door sommigen beoogde Ferdinand Foch, werd tot diens opvolger als opperbevelhebber benoemd.

Deze keer was het niet om de vijand een halt toe te roepen, maar om de buiten de oevers tredende onrust onder de Franse troepen te bedwingen. In de schaduw van Pétain werd Foch Chef Staf. Joffre was toen al eind 1916 naar de luwte van de strijd gemanoeuvreerd.

Het voert te ver om in dit korte bestek uitvoerig in te gaan op de oorzaken van de onrust, maar de integrale tekst van de volgende brief vat – voor hen die het Frans machtig zijn – de context en de essentie goed samen:

‘Le 30 mai 1917

Léonie chérie,

J’ai confié cette dernière lettre à des mains amies en espérant qu’elle t’arrive un jour afin que tu saches la vérité et parce que je veux aujourd’hui témoigner de l’horreur de cette guerre.

Quand nous sommes arrivés ici, la plaine était magnifique. Aujourd’hui, les rives de l’Aisne ressemblent au pays de la mort. La terre est bouleversée, brûlée. Le paysage n’est plus que champ de ruines. Nous sommes dans les tranchées de première ligne. En plus des balles, des bombes, des barbelés, c’est la guerre des mines avec la perspective de sauter à tout moment. Nous sommes sales, nos frusques sont en lambeaux. Nous pataugeons dans la boue, une boue de glaise, épaisse, collante dont il est impossible de se débarrasser. Les tranchées s’écroulent sous les obus et mettent à jour des corps, des ossements et des crânes, l’odeur est pestilentielle.

Brief Franse poilu

Brief Franse poilu

Tout manque : l’eau, les latrines, la soupe. Nous sommes mal ravitaillés, la galetouse est bien vide ! Un seul repas de nuit et qui arrive froid à cause de la longueur des boyaux à parcourir. Nous n’avons même plus de sèches pour nous réconforter parfois encore un peu de jus et une rasade de casse-pattes pour nous réchauffer.
Nous partons au combat l’épingle à chapeau au fusil. Il est difficile de se mouvoir, coiffés d’un casque en tôle d’acier lourd et incommode mais qui protège des ricochets et encombrés de tout l’attirail contre les gaz asphyxiants.

Nous avons participé à des offensives à outrance qui ont toutes échoué sur des montagnes de cadavres. Ces incessants combats nous ont laissé exténués et désespérés. Les malheureux estropiés que le monde va regarder d’un air dédaigneux à leur retour, auront-ils seulement droit à la petite croix de guerre pour les dédommager d’un bras, d’une jambe en moins ? Cette guerre nous apparaît à tous comme une infâme et inutile boucherie.

Le 16 avril, le général Nivelle a lancé une nouvelle attaque au Chemin des Dames. Ce fut un échec, un désastre ! Partout des morts ! Lorsque j’avançais les sentiments n’existaient plus, la peur, l’amour, plus rien n’avait de sens. Il importait juste d’aller de l’avant, de courir, de tirer et partout les soldats tombaient en hurlant de douleur. Les pentes d’accès boisées, étaient rudes .Perdu dans le brouillard, le fusil à l’épaule j’errais, la sueur dégoulinant dans mon dos. Le champ de bataille me donnait la nausée. Un vrai charnier s’étendait à mes pieds. J’ai descendu la butte en enjambant les corps désarticulés, une haine terrible s’emparant de moi.

Cet assaut a semé le trouble chez tous les poilus et forcé notre désillusion. Depuis, on ne supporte plus les sacrifices inutiles, les mensonges de l’état major. Tous les combattants désespèrent de l’existence, beaucoup ont déserté et personne ne veut plus marcher. Des tracts circulent pour nous inciter à déposer les armes. La semaine dernière, le régiment entier n’a pas voulu sortir une nouvelle fois de la tranchée, nous avons refusé de continuer à attaquer mais pas de défendre.

Mort par la France"?

Mort par la France”?

Alors, nos officiers ont été chargés de nous juger. J’ai été condamné à passer en conseil de guerre exceptionnel, sans aucun recours possible. La sentence est tombée : je vais être fusillé pour l’exemple, demain, avec six de mes camarades, pour refus d’obtempérer. En nous exécutant, nos supérieurs ont pour objectif d’aider les combattants à retrouver le goût de l’obéissance, je ne crois pas qu’ils y parviendront.
Comprendras-tu Léonie chérie que je ne suis pas coupable mais victime d’une justice expéditive ? Je vais finir dans la fosse commune des morts honteux, oubliés de l’histoire. Je ne mourrai pas au front mais les yeux bandés, à l’aube, agenouillé devant le peloton d’exécution. Je regrette tant ma Léonie la douleur et la honte que ma triste fin va t’infliger.

Si difficile de savoir que je ne te reverrai plus et que ma fille grandira sans moi. Concevoir cette enfant avant mon départ au combat était une si douce et si jolie folie mais aujourd’hui, vous laisser seules toutes les deux me brise le cœur. Je vous demande pardon mes anges de vous abandonner.

Promets-moi mon amour de taire à ma petite Jeanne les circonstances exactes de ma disparition. Dis-lui que son père est tombé en héros sur le champ de bataille, parle-lui de la bravoure et la vaillance des soldats et si un jour, la mémoire des poilus fusillés pour l’exemple est réhabilitée, mais je n’y crois guère, alors seulement, et si tu le juges nécessaire, montre-lui cette lettre. Ne doutez jamais toutes les deux de mon honneur et de mon courage car la France nous a trahi et la France va nous sacrifier.

Promets-moi aussi ma douce Léonie, lorsque le temps aura lissé ta douleur, de ne pas renoncer à être heureuse, de continuer à sourire à la vie, ma mort sera ainsi moins cruelle. Je vous souhaite à toutes les deux, mes petites femmes, tout le bonheur que vous méritez et que je ne pourrai pas vous donner. Je vous embrasse, le cœur au bord des larmes. Vos merveilleux visages, gravés dans ma mémoire, seront mon dernier réconfort avant la fin.

Eugène ton mari qui t’aime tant’

Ik heb geprobeerd om de authenticiteit van de brief vast te stellen. Dat is me helaas niet gelukt. Het kan dus zijn dat hij ‘gefingeerd’ is. Als dat al zo is, doet dit niet af aan echtheid die hij aan de sfeer, de feiten en de emoties uit die tijd oproept. De brief geeft ook de zware taak aan waar Pétain voor stond. Dat hij er uiteindelijk in slaagde om de rust onder de troepen enigszins te herstellen is een prestatie die, gezien de ernst van de situatie, zeker niet onderschat mag worden.

De al eerder geciteerde Edward Spears schat de prestatie van Pétain hoog in: ‘The crisis due to the mutinies of the French armies in the spring and early summer of 1917 brought the Allied cause to within nodding distance of defeat, and could have resulted in millions of lives having been sacrificed in vain. The main credit for their suppression, and therefore for saving France, goes to General Pétain, who had been appointed commander-in-chief in May.’

Het Lenteoffensief en daarna

George Clemenceau `Le Tigre´ op jonge leeftijd

George Clemenceau `Le Tigre´ op jonge leeftijd

Hét moment van generaal Foch was aangebroken. Op 26 maart 918 word hij opperbevelhebber´du front Ouest´. In de carrousel van benoemingen was Pétain deze keer in de bijrol van Chef Staf gemanoeuvreerd. Het heeft er overigens alle schijn van dat deze voordracht door ´Eerste minister´Clemenceau als het kiezen tussen twee kwaden werd gezien: ´Je me suis dit: essayons Foch! Au moins, nous mourrons le fusil á la main! J´ai laissé cet homme sensé, plein de raison qu´était Pétain; j´ai adopté ce fou qu´était Foch. C´est le fou qui nous tirés de lá!´ Een citaat dat bepaald niet als complimenteus voor beide heren was, maar geheel conform de dunk van Clemenceau over de meeste militairen – zeker de kerkelijken onder hen – en in overeenstemming met zijn gebruikelijke, cynische wijze van uitdrukken. Hadden de politici over het algemeen weinig respect voor de militairen, omgekeerd gold hetzelfde.

Ook de auteur van ‘Foch, chef de guerre’, Elisabeth Greenhalgh, geeft uitdrukking aan de levende twijfels aan Fochs en dicht diens benoeming eerder toe aan diplomatieke en politieke vaardigheden dan aan militaire kwaliteiten.

Ferdinand Foch, de bejubelde winnaar van 1918, was ongetwijfeld een man met veerkracht. 1914 was een goed jaar voor hem. Zijn blokkade van de Duitse tegenaanval tijdens de Slag aan de Grenzen, zijn bijdragen aan de Eerste slag aan de Marne, zijn aandeel aan de zogenoemde ‘race naar het Kanaal’ en zijn inbreng in de Eerste slag van Ieper werden door Joffre, maar ook door de Britten en Belgen gewaardeerd. Zijn ster steeg snel.

Franse uitkijkpost. Tweede slag aan de Marne.

Franse uitkijkpost. Tweede slag aan de Marne.

Het ging Foch de volgende twee jaren duidelijk minder voor de wind. Niet alleen tijdens de Tweede slag om Ieper, maar ook tijdens de Derde slag om Artois en later tijdens de Slag aan de Somme ging Foch – in veel ogen – roekeloos met zijn manschappen om. Zijn offers aan Mars, de God van de oorlog, zijn soms zinloos spelen met het leven van zijn mannen, zouden hem opbreken. Hij raakte zijn commando kwijt.

In 1917 was weliswaar geen sabbatical voor Foch, maar wel een jaar waarin hij op de achtergrond actief was. Daardoor was er niemand die begin 1918 zijn naam verbond aan de catastrofe van Chemin des Dames en ook niet aan de daarop volgende muiterij binnen het leger. Deze schone handen maakten dat Foch een interessante kandidaat werd voor de post van opperbevelhebber van de Franse en Britse troepen In Frankrijk. Zijn tegenkandidaat, Philippe Pétain, verloor deze keer de race. Weldra zou het moment van glorie voor Foch aanbreken.

En de winnaar is….

Niemand. In een oorlog met vele miljoenen doden, nog veel meer gewonden en talloze ontredderde gezinnen zijn er geen winnaars. Alleen verliezers. De politici bijvoorbeeld die deze oorlog niet voorkomen hebben. Zij zijn hoofdverantwoordelijke en hoofdschuldigen. Zij zijn ook verantwoordelijk voor het benoemen van de generaals die hen de overwinning beloofden, bij voorkeur snel, zoals Nivelle, French, Haig en toch ook Foch. Maar ook de legeraanvoerders zelf droegen een zware verantwoordelijkheid.

Wat maakt een generaal dan een goede generaal, een leider? Eerder in dit artikel heb ik mijn criteria genoemd. Een generaal moet:

–          leiderschap tonen in iedere situatie;

–          een goed strateeg en tacticus zijn;

–          theorie en praktijk met elkaar kunnen verbinden;

–          op de hoogte zijn van recente militaire ontwikkelingen en die zo nodig kunnen inzetten;

–          weten wanneer hij moet verdedigen;

–          weten wanneer het moment is aangebroken is om aan te vallen;

–          zijn relatie met de politiek zorgvuldig bewaken,

–          vertrouwen uitstralen;

–          communicatief zijn;

–          zijn soldaten het gevoel geven dat hij ´voor ze zal zorgen’;

Hieronder zet ik deze eisen af tegen de ‘prestaties’ van Joffre, Pétain en Foch.

Joffre

was ongetwijfeld een krachtig en vastberaden leider. Meer dan Pétain was hij een denker en een strateeg. De vraag is echter of hij een goede strateeg was. Aan Joffre worden door collega militairen en historici eigenschappen toegekend als ongeduldig, ‘agressief’, halsstarrig en naïef. Onder bepaalde omstandigheden kunnen zij, zeker in de verkeerde verhouding, een explosief mengsel vormen. Zo ook bij Joseph Joffre. Hij geloofde zo in zijn eigen strategie dat hij – uit naïviteit of mogelijk zelfs bewust – voorbij ging aan vitale inlichtingen die een verstandig aanvoerder tot nadenken gestemd zouden hebben. Joffre zou overigens vaker, net als in juni en juli 1914, waarschuwingen negeren. Ook begin 1916, toen hij van verschillende kanten gewaarschuwd werd voor een imminente aanval op Verdun.

Het negeren van cruciale informatie en het onverkort vasthouden aan Plan XVII brachten Frankrijk in 1914 aan de rand van de afgrond.  Mocht Joffre na de nederlaag tijdens de ‘Slag aan Grenzen’ al twijfels gehad hebben aan de strategie van de aanval tot het uiterste’, dan heeft hij dat in de jaren daarna redelijk verborgen weten te houden.

De Eerste slag aan de Marne bracht Joffre de glorie die hij, volgens velen, verdiende. Echter, niet iedereen dacht zo hierover. Pétain zei later desgevraagd: ‘Que cela plaise ou non, Joffre est à jamais le vainqueur de la Marne.’ Een bewijs van de altijd sluimerende animositeit tussen beide heren. Misschien is het juister om te spreken van sterke karakters en tegengestelde inzichten. Toch zou het Joseph Joffre te kort doen om het hierbij te laten. Voor de meeste historici was en is Joffre de man die, als eindverantwoordelijke, de ‘credits’ kreeg.

Vele slagen volgden. De Aisne, de Champagne, Verdun, de Somme en met iedere slag verloor de betovering van Joffre aan glans. Uiteindelijk verloren zijn politieke ‘bazen’ het vertrouwen in hem. Eind 1916 werd hij op een prettige wijze ‘gelimogeerd’ tot maarschalk bevorderd en sloegen men politieke munt uit zijn populariteit door hem als ambassadeur naar de Verenigde Staten te zenden.

Als het dragen van een bijna onmenselijk zware verantwoordelijkheid mag meetellen in de waardering voor een leider, en dat mag, dan is de lengte van de ‘beproeving’ zeker ook een factor die telt. Joffre was opperbevelhebber van het Franse leger van 2 augustus 1914 tot 26 december 1916. Meer dan twee jaar, korter dan Douglas Haig, maar aanzienlijk langer dan Pétain en Foch samen.

Maakt dit alles van Joffre een leider? Jazeker. Hij was misschien niet altijd de juiste man op de juiste plaats, maar zonder enige twijfel de krachtige motor die Frankrijk door zware tijden trok. In zijn boek ‘Marshal Pétain’, neemt Richard Griffiths, die Joffre een vaak verkeerd begrepen man noemt, het voor hem op: ‘…he, (Joffre) showed a far greater grasp of the overall situation of the war than most other army men.’

Foch

was strateeg, tacticus en operateur, denker en doener, theoreticus en executeur. Dat laatste in de ogen van een aantal critici in letterlijke zin. Ferdinand Foch, bewierookt na zijn inzet in 1914, uit zijn functie ontheven in 1916 en met enorme militaire macht bekleedt in 1918. De man die uit zijn eigen as herrees. Is Foch dan de ultieme leider, de grootste van de drie?

Napoleon heeft hem niet kunnen kennen, anders zou een van zijn steevaste opmerkingen bij de benoeming van een generaal met Ferdinand Foch in verband gebracht kunnen worden: ‘Ik heb liever een generaal met veel geluk dan een goede generaal.’ Foch heeft dat geluk onmiskenbaar aan zijn zijde gehad. Hij werd benoemd in de plaats van Pétain omdat de Fransen dachten de Engelsen een plezier te doen en de Engelsen het omgekeerde dachten. Hij werd de ‘geallieerde’ opperbevelhebber in een fase van de strijd dat de krijgskansen begonnen te keren, het bijna noodlottige lenteoffensief van de Duitsers ten spijt. Terwijl het Duitse leger volledig uitgeput raakte en niet meer over reserves kon beschikken nam de operationele sterkte van de geallieerden met de dag toe. De komst van de Amerikanen zou de balans in het voordeel van de geallieerden doen omslaan. Alle deze factoren speelden Foch in de kaart. Duitsland was gedwongen om de oorlog te staken. Dat maakte dat Foch in 1919 als de grote overwinnaar werd gezien.

Er is in mijn ogen – naast de hierboven genoemde motieven – nog de een goede reden om hier anders over te denken. Dat zijn de smetten op Fochs’ blazoen. Het is uiteraard een illusie om te denken dat een generaal schone handen kan houden in een oorlog. Wat dan telt is de inspanning die hij zich getroost om zoveel mogelijk onnodige slachtoffers te voorkomen. Niet alleen bij Artois en aan de Somme, maar ook tijdens andere offensieven zorgde Foch slecht voor zijn mannen, meer dan Joffre en nog veel meer dan Pétain. Alles bij elkaar voor mij voldoende om terughoudend te zijn in de bewondering voor Ferdinand Jean Marie Foch. Voor mij is hij niet de grootste van de drie maarschalken.

Pétain

is waarschijnlijk niet de strateeg van het driemanschap. Hij is de doener. Zijn tactisch inzicht en operationele vaardigheden werden alom echter hooglijk gewaardeerd. Hij was creatief en maakte optimaal gebruik van de beschikbare middelen. Pétain heeft zowel tijdens de Slag voor Verdun als bij zijn aanpak van de crisis rond het oproer in het leger leiderschap en persoonlijke moed getoond. Hij is in beide gevallen geslaagd in zijn opdracht. Hij heeft de Duitsers een halt toegeroepen. Hij heeft de rust onder de troepen hersteld, zij het met enige vertraging. Daarbij is hij omzichtig maar ook daadkrachtig te werk gegaan, met oog voor het leven en het welzijn van zijn mannen. Hij gaf zijn soldaten het gevoel dat hij voor ze zou zorgen. Pétain was een meester in de verdediging, maar was pas bereid om in de aanval te gaan als hij deze tot in de details voorbereid had en zeker wist dat hij een kans van slagen had. Hij was zelfverzekerd en straalde vertrouwen uit.

Maakt dat Pétain een leider? Ik denk het wel. Voor de Fransen was hij in deze periode in ieder geval de juiste man, op het juiste moment op de juiste plek.

De roem, de lauweren en de vraagtekens

Mausoleum van Joffre

Mausoleum van Joffre

Generaal Joffre werd op 26 december 1916 tot Maréchal de France bevorderd. Daarnaast ontving hij de nodige medailles en andere distinctieven. Tot slot werd hij unaniem gekozen als lid van de L’Academie Française,  de veertig onsterfelijken. Niet slecht voor de zoon van een Catalaanse kuiper. Joffre – overleden in 1931 – is op staatskosten begraven in een mausoleum op zijn landgoed ‘La Châtaigneraie’ in Louveciennes, dicht bij Parijs.

Generaal Foch werd op 6 augustus 1918 tot Maréchal de France bevorderd. Talloze onderscheidingen volgden, waaronder die van de regeringen van Groot Brittannië en Polen die hem die titel maarschalk verleenden, een uitzonderlijk eerbetoon. Op dit moment zetten historici, maar ook politici vraagtekens bij de verdiensten van Foch. Maarschalk Foch – overleden in 1929 – is bijgezet in een bronzen tombe in de Dôme des Invalides.

Mausoleum van Ferdinand Foch

Mausoleum van Ferdinand Foch

Graf van Pétain

Graf van Pétain

Generaal Pétain – dat is hij tot aan zijn bevordering tot Maréchal de France op 21 november 1918, een titel die hem op 15 augustus 1945 bij vonnis door de Haute Cour de Justice werd afgenomen – is na de slag voor Verdun een begrip in Frankrijk. Burger Philippe Pétain – overleden in 1951 – ligt begraven op de Ile d’ Yeu.

Fin

Pétain op zijn schimmel

Pétain op zijn schimmel

Op 14 juli 1919 vierden de Fransen en hun bondgenoten de overwinning met een indrukwekkend defilé over de Champs Elysée en onder de Arc de Triomphe.

Joffre en Foch te paard op 14 juli 1919En aan het hoofd van de enorme stoet, in de eerste linie, reden Joffre, Foch en Pétain. De beelden van de fantastisch gerestaureerde reportage: ‘1919: Les lendemains de la guerre et le défilé de la victoire.’ zijn zeer de moeite van het kijken zeer de moeite waard.

 

Post scriptum

Pétain was een man met twee gezichten. Zijn levensboek kent witte, maar vooral ook zwarte bladzijden. Zijn kwaliteiten als leider en tacticus tijdens de eerste slag aan de Marne, het lenteoffensief bij Artois, het offensief in de Champagne, maar boven alles zijn zeer kundige verdediging van Verdun zijn uitvoerig beschreven en in de historie verankerd, net als zijn zorg voor zijn mannen. Pétain is de onomstreden winnaar van Verdun.

Voor de geïnteresseerden: lees de voortreffelijke biografie van Charles Williams. Ruim 500 pagina’s die een genuanceerd, maar niet minder kritisch beeld van Pétain schetsen. Diezelfde Williams heeft ook een biografie geschreven van Charles de Gaulle, ‘The last great Frenchman’. Charles de Gaulle, in 1916 door de Duitsers gevangen genomen op de weg tussen het dorp Douaumont en Fleury, was een groot bewonderaar van Pétain. Hij was later ook diens protegé. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog moet de Gaulle over het lot van de maarschalk beslissen als deze uit Zwitserland naar Frankrijk terugkeert en wordt aangeklaagd voor zijn rol in de oorlog. Pétain ontloopt de doodstraf, mede door de inzet van de Gaulle, maar wordt veroordeeld tot levenslang. Ik zou dit artikel af kunnen sluiten met de woorden van diezelfde Charles de Gaulle, geciteerd door een andere chroniceur, Jean Raymond Tournoux. Deze schrijft: ‘Marshal Pétain was a great man; he died in 1925.’

Helaas voor Philippe Pétain laat de geschiedenis zich niet dwingen door uitspraken, zelfs al zijn ze afkomstig uit de mond van een groot staatsman. Het leven van de maarschalk is na 1925 te turbulent geweest en zijn denken en daden te zeer omstreden om ze onvermeld te laten.

Pétains aanvankelijke roem bladdert af, vooral vanwege zijn dubieuze contacten met verkeerde individuen en regimes, onder meer in Spanje en Noord-Afrika. Een gitzwart hoofdstuk is zijn deelname aan het Vichy regime en zijn bemoeienis – beter gezegd zijn niet bemoeien – met de anti Joodse sentimenten in zijn land en vooral zijn stilzwijgen ten opzichte van razzia’s en het afvoeren van Joodse burgers. Dit alles heeft gemaakt dat zijn naam door de Franse regering welbewust nagenoeg helemaal uit het collectieve geheugen gewist wordt. In vrijwel alle Franse dorpen en steden hingen straatnaamborden met de tekst Rue du Maréchal Pétain, Avenue du Maréchal Pétain etc. Enkele jaren geleden werden de laatste borden met zijn naam rigoureus verwijderd. De enige fysieke plek waar zijn naam nog vermeld wordt is op een plaquette in het Ossuarium van Douaumont, het monument waarvan Pétain op 22 augustus 1922 de eerste steen legde.

Maar ondanks alle pogingen van een belangrijk deel van Frankrijk om de naam Pétain volledig te verbannen is zijn geest voor een ander deel van de Fransen nog springlevend. Tot op de dag van vandaag houdt Pétain de gemoederen bezig.

Voor hen die zich meer in de feiten en de achtergronden willen verdiepen raad ik aan de volgende link te openen en te kijken naar de reportage ‘Pétain un héros si populaire’.