trein

‘Een schattig klein meisje, haar witte jurkje tot op de knieën, haar blonde haren bedekt door een crèmekleurig doekje, wuift naar de trein. De man naast haar, vermoedelijk haar vader, beschermt met een hand zijn hoed tegen de zwoele zomerwind. Met de andere zwaait hij naar een jongeman achter de ramen van een van de wagons.

Een oudere dame wipt nerveus van haar ene voet op haar andere. Haar linkerhand omklemt een zwart leren tasje, de rechter is tot heuphoogte geheven in een verlegen groet. Iets verder naar achter, in de schaduw, staat een grijzende officier. Kaarsrecht. Hij salueert plechtig naar de soldaten die uit de ramen hangen.

Op het overvolle perron staan honderden vrouwen, mannen en kinderen die hun echtgenoten, zonen en papa’s uitbundig uitgeleide doen op hun weg naar het front.
Bahnhof Hamburg, eind augustus 1914.’

Bidden

Ik zie nooit een soldaat bidden. Gevouwen handen, geloken ogen, lippen die eeuwenoude gebeden zacht voor zich uit zeggen. Ik weet van geen soldaat in mijn compagnie die zijn geloof openlijk belijdt. En toch zijn de missen van Père Laperre in de daarvoor speciaal ingerichte kapel van Souville steevast druk bezocht. Rituelen uit de jeugd? Onzekerheid? Houvast? Ik weet het niet. Ikzelf heb geen altaar nodig, net als mijn opa. Een plek heeft voor hem geen enkele betekenis, is zonder belang. Een kerk, een bos, een weiland ze voldoen allemaal prima aan zijn behoefte tot overpeinzing. Hij bidt onhoorbaar in zijn hoofd, net als ik. Ik weet dat mijn God me zonder woorden begrijpt, zelfs aan het front.’

Mei 1916

‘Het is nog vroeg in de morgen als langzaam het besef doordringt dat het doek gevallen is. Het kost me weinig moeite om mij de afgelopen nacht voor te stellen. Een groepje mannen, aan het eind van hun krachten, diep weggedoken in een paar granaattrechters, omsingeld en dorstig. Een eiland dat schipbreuk lijdt in een kolkende zee. De laatste aanval op onze kameraden is aanstaande. De vijand is vastbesloten om er snel een einde aan te maken. Eerst de mortieren, dan de granaten en tenslotte de stormaanval. De ogen blikken angstig omhoog naar de grijze uniformen die hoog boven de trechter uittorenen, de bajonetten die neerdalen. Een laatste gedachte aan thuis, dan het overgeven aan het onvermijdelijke. De herovering van Douaumont is stukgelopen.’

Flarden stof

‘Als ik bijkom lig ik aan de rand van een granaattrechter, mijn benen gevangen in een streng verroest prikkeldraad. Mijn uniform is stoffig en vuil, maar gek genoeg onbeschadigd, alleen aan de voorzijde is de stof enigszins gescheurd. De flarden stof, slordig rondom een groot rond gat gedrapeerd, zijn donkerrood gekleurd. Ik ben blijkbaar gewond, maar ik voel geen pijn, enkel lichte verbazing. Vlak naast me op de grond ligt mijn helm. Ik hoor iets. Voetstappen komen aarzelend naderbij. Tussen mijn oogharen door zie ik een soldaat in een Frans uniform. Zijn zware, donkere wenkbrauwen fronsen zich als hij zich over mij heen buigt. Ik sluit mijn ogen nu geheel. De sterke, zurige lucht die mijn neusgaten binnendringt, doet mij bijna overgeven.’

Druk

‘Druk. Een verkeerd gekozen woord. De kroeg is stampvol, de lucht doortrokken van tabaksrook. De uniformen zijn van verschillende herkomst. Pruisen, Beieren, Brandenburgers en Hessen, iedereen praat met en door elkaar en neemt het accent van de ander voor lief. En er wordt gezongen, en gelachen, en gedronken. Drank en liederen, een prachtig medicijn tegen heimwee.’

Vers bloed

‘De aflossing is zojuist gearriveerd. Vers bloed. Moet ik dat letterlijk nemen? Het zijn niet meer de onstuimige, gretige jongens die de rijen aanvullen. Die de oorlog zien als hun heilige plicht tegenover het Vaterland, het gevecht met de vijand als een theaterstuk waarin zij de acteur zijn. De mystiek van de voorstelling is allang verdwenen, het applaus is verstomd. Bleek en angstig zijn de jongemannen die ons peloton nu komen versterken.’